De Blauwe Kan

door Ruud Meijns

Soms val je van het ene onbekende in het andere onbekende. Dat was het geval toen ik een titel  onder ogen kreeg en besloot dat eens uit te zoeken. Dit is wat er stond:

‘Verkoopinge van een party gebeterde en ongebeterde deense ossen van Klaas Taan den 4 mey 1752 by de blauwe kan ‘s morgens te 9 uur’.

Gebeterde  en ongebeterde ossen en de Blauwe Kan; twee raadsels.

Om met de laatste te beginnen. De Blauwe Kan was een pand in de Oostzijde op nr. 131 dat in 1903 is gesloopt. Daarna kwam kolenhandelaar Wilson erin. Dat kunnen velen van ons zich nog wel herinneren.

De Blauwe Kan, Oostzijde 131

 

 

In de Blauwe Kan waren een café en een kolfbaan gevestigd. Bij het plaatje staat dat er een golfbaan in het pand zat maar dat lijkt me eerder een kolfbaan. Rechts Oostzijde 131 met kolenhandel Wilson.

Het café stamde uit de 18e eeuw. Het was een grote herberg waar vele feesten en schuttersmaaltijden werden gehouden. Tijdens dit gezellige samenzijn rookte men uit Spaanse pijpen. Tijdens de sloop van het gebouw in 1903 werden massa’s lange stelen en pijpekoppen gevonden. De laatste bewoners van de Blauwe kan waren Dirk Spijker, Jan van Urk en Jan van Dalsem. Achter de herberg vond men een kolfbaan en een luchthuis dat op palen boven de Zaan stond. (bron T. Woudt – Wandeling door Oost- en West-Zaandam)

Ossen

En dan die ‘gebeterde en ongebeterde ossen’. Het heeft allemaal te maken met de veeziekten die de boeren in Europa in de 18e eeuw teisterden. Hieronder een tekst uit het boek ‘Kapitale ossen. De internationale handel in slachtvee in Noordwest-Europa’, 1300-1750 door W.M. Gijsbers.

De omvang van de ramp wordt duidelijk uit de cijfers over de rundveesterfte. Van de 77.633 koeien, vaarzen en hokkelingen die het Noorderkwartier in oktober 1744 telde, waren er in het voorjaar van 1745 nog slechts 15.366 gezond, terwijl er 62.267 (ruim 80%) geïnfecteerd raakten. Van dat laatste aantal bezweken er uiteindelijk 54.344 (70% van het totale aantal runderen).

(J. Eussen, gravure (1745)  Stichting Atlas van Stolk, Rotterdam).

De runderen die de ziekte overleefden, waren daarna levenslang immuun en kregen het predikaat ‘gebeterd’. Van 1746 tot 1754 derfde de overheid in het noordelijke deel van Holland alleen al 1,3 miljoen gulden als gevolg van vrijstellingen van de verponding[1].

Toen de ziekte in 1751 verhevigde, werd in Holland een nieuw importverbod ingesteld. Als gevolg van het dreigende tekort aan rundvee om de landerijen van vee te voorzien werd dat verbod door de Staten van Holland en West-Friesland in de daaropvolgende jaren (het laatst in 1760) telkens opnieuw buiten werking gesteld, waarbij vee, afkomstig uit Denemarken en omgeving, alleen over zee en voorzien van behoorlijke attestaties mocht worden aangevoerd.

 Zo werden er in het voorjaar van 1752 te Oost-Zaandam in totaal 228 gebeterde en ongebeterde Deense ossen in het openbaar geveild’.

Die veiling vond plaats bij de Blauwe Kan in Oost-Zaandam aan de Schinkeldijk[2].

[1] De verponding was een vorm van grondbelasting, die tussen de 17e eeuw en 19e eeuw in Nederland werd geheven. (Wikipedia)

[2] In de Zaanstreek werd de lagedijk aan de oostkant van de Zaan, (van de Dam tot `t Kalf) Schinkeldijk genoemd. Na 1811 werd de naam `Oostzijde`. De eerste vermelding van de Schinkeldijk dateert uit 1414. (Zaanwiki)