Douane vertellingen

door Han van Lokhorst

medio 1970

Het voormalige Oostelijke Havengebied in Amsterdam (al enkele jaren grotendeels woongebied) kende verschillende douaneloodsen alwaar onder meer via zee per schip binnengekomen goederen tijdelijk werden opgeslagen alvorens ze een nadere bestemming gingen volgen.

Doorgaans werden douaneloodsen en entrepots ambtelijk bewaakt en als daar niet werd gewerkt werden ze ambtelijk gesloten middels een zeer fors douaneslot, gemerkt “MvF” met een nummer. Ook op de Oostelijke Handelskade bevonden zich enkele douaneloodsen. In elke douaneloods bevond zich een ambtenarenkantoortje, de ruimte voor de dienstdoende douaneambtenaar. Voor de inrichting van het kantoortje  diende de loodsbeheerder (vaak een scheepvaartonderneming, ex- en/of importeur van goederen) overeenkomstig de verleende vergunning zorg te dragen, maar die had doorgaans weinig trek daar veel geld aan uit te geven, bovendien was het in het oostelijk Havengebied een oude troep, de infrastructuur, de gebouwen hadden hun tijd gehad en er werd niet meer in geïnvesteerd. Droefgeestigheid troef. Loods Brazilië, rechts op de foto was zo’n voorbeeld. 

De kantoorruimte voor “de ambtenaar” (dat was ook de aanroepwijze in de haven als ze je nodig hadden of een groet brachten ) bevond zich aan de straatzijde, het vensterglas bestond uit draadglas,  er viel niet goed naar buiten te kijken hetgeen ook niet echt nodig was, de loods en de kade was in het kader van het toezicht belangrijker, derhalve maakte je controlerondes. Voor alle handelingen met douanegoederen was vooraf toestemming van de douane vereist. Het toezicht was uiteraard gebaseerd op wettelijke regelgeving en vond fysiek en administratief middels de verplichting tot het doen van goederenaangiften plaats. Bij onregelmatigheden werd de door belanghebbende gestelde borg bij de Ontvanger der Invoerrechten en Accijnzen eventueel aangesproken,  vergezeld van een mogelijke boete.

Het toezicht op  binnengekomen douanegoederen was te vergelijken met een ketting met opeenvolgende schakels, ontbrak een schakel dan was er iets mis.  Vervoermiddelen werden ook vaak ambtelijk verzegeld voorafgaande aan het vervoer van de goederen.

In loods Uruquay zat een collega met een sleepbeen en die eveneens slechthorend was waartoe hij een hoorapparaat droeg, die zat in zijn borstzak.  Men noemde hem Kareltje. Hij was de vaste ambtenaar op die stek. Een fenomeen waar men op een gegeven moment van af stapte en de dienstindeler de toezichthoudende ambtenaren liet rouleren op de werkplekken. Dat was beter, onder het motto “niet te eigen worden met de handel” (de handel was bij de douane een verzamelnaam voor het bedrijfsleven). Op de foto rechts loods Uruquay van de Koninklijke Hollandse Loyd

Kareltje had maar twee streepjes op de mouw van zijn  uniformcolbert, dat was zijn eindrang. Het was de periode dat je collega’s tegenkwam die in die eindrang bleven hangen, ze hadden geen zin verder te studeren om verder te komen, waren vaak ook niet de meest intelligente categorie collega’s (sorry daarvoor). Na de oorlog moest in nieuw personeel worden voorzien, de eisen waren niet al te streng. Er werden nog wel eens mannen aangenomen als een soort bedankje omdat ze iets in het verzet hadden gedaan. Kareltje was denkelijk ook zo één.

Er deed over hem een verhaaltje de ronde.  Ook de handel wist dat Kareltje slechthorend was (vroeger had men trouwens zo’n bordje op het achterspatbord). Er kwam wel eens een chauffeur  die zich in het kantoortje meldde  om douanepapieren te laten behandelen en met de lippen deed alsof hij  sprak waarbij  Kareltje dacht dat zijn hoorapparaat te zacht stond en hem luider zette waarna de chauffeur zijn vraag herhaalde maar nu met het normale spreekvolume waardoor Kareltje schrok en zijn apparaat weer moest dimmen. Een beetje rotstreek eigenlijk.

Een interview met Han van Lokhorst kunt u lezen met deze link: Han van Lokhorst

De foto’s komen uit het Gemeentearchief Amsterdam.