Wandeltochtje naar de Hembrug
Uit: Maannacht in de sneeuw – Een Zaanse roman (1863-1963) door T. Woudt – hoofdstuk 50
Toen Cees ’s avonds thuis kwam en van die plezierig verlopen wandeling hoorde merkte hij quasi spijtig op: , “ik wou dat ik eens mee kon.” “Ik zou niet weten waarom niet,“ gaf Anna te verstaan. “Waarom zouden we zondagmiddag de kuierlatten niet eens kunnen nemen? We zorgen dat we vroeg kunnen middageten en vragen de buren en de kinderen ook of zij meegaan.”
Het was zondagmiddag half een toen ons gezelschap, de weesjes incluis er de pas inzette om langs de Westzijde en via de Hogendijk, het zwarte paadje te bereiken, waar ze over een kettingbrug naar de haven liepen, waar ze het Bonkieshuis passeerden en terloops genoten van het gezicht van de zeeboten.

Op het Zwarte pad richting Hembrug. Rechts het Bonkieshuis.
Vandaar trokken ze naar de Hembrug[1], waar ten het Rode Dorp nog niet bestond. Eenmaal bij de Hembrug staken ze met de trekpont het Noordzeekanaal over, dat het IJ bij Amsterdam, sinds 1876 met IJmuiden verbindt.
[1] (De eerste Hembrug werd in 1875 gebouwd en in 1910 gesloopt. De tweede Hembrug werd in 1907 opgeleverd en geraakte buiten dienst door de Hemspoortunnel in 1983.)
Toen werd de pont nog door mankracht gedreven of beter gezegd voortgetrokken hetgeen gebeurde door een kleine klamp steeds weer op de staaldraad te brengen en al trekkend achterwaarts te lopen.

De trekpont bij de Hembrug. Vooraan de lieren waarmee de staaldraad gevierd dan wel strak kon worden getrokken.
Die staaldraad liep tussen vier rollen boven het boord van de pont. Vaak kreeg de pontwachter assistentie van de meevarenden al waren dezen in dat trekken niet zo bekwaam als de man die er zijn brood mee verdiende.
Omstreeks 1900 toen het nog niet zo druk liep, werd men ook wel overgezet met een roeiboot. Voor de kinderen was zo’n overtocht altoos een fantastische gebeurtenis vooral als er moest worden gewacht op een grote zeeboot. Genoemde staaldraad moest dan zakken tot de bodem van het Noordzeekanaal en werd daarna door grote lieren weer strak getrokken.
Eenmaal aan de overkant trokken ze de grote IJpolder door. Dat was een belevenis apart. De weelderige landerijen verspreidden een heerlijke geur door het bloeiende koolzaad, dat zijn helgele kleuren tentoonspreidde.
De IJpolder in 1918
Foto’s: Gemeentearchief Zaanstad